zondag 3 januari 2016

Spijt komt altijd te laat

Ze kijkt verbouwereerd naar haar handen. Haar trillende, bebloede handen. Haar adem stokt en een braakneiging golft door haar lijf. 
“Wat heb ik gedaan?” Fluistert ze. Ze schrikt van haar eigen, plots onherkenbare stem. Het klinkt schor, alsof ze uren heeft staan schreeuwen. Ja, ze heeft staan schreeuwen, tegen voorbijgangers, moeders en vaders met hun kinderen, tegen mensen waar ze voorheen nooit iets tegen heeft gezegd. Het waren vreemden, en blijkbaar heeft ze er tegen staan schreeuwen. Ze denkt na en glijdt met haar blik langzaam langs de lakens op haar bed, langs het oude jachtgeweer dat ooit tegen de muur hing bij haar grootouders. Het is een erfstuk, nog in prima conditie, waar haar grootvader vaak mee ging jagen. Als kind genoot ze van zijn verhalen, hoe hij stoer wilde doen maar altijd miste. Hij was een te zachtaardige man om weerloze dieren neer te schieten. Hij draait zich vast om in zijn graf! Het geweer dat altijd miste schoot vandaag meermaals raak. Ze begint zacht en met lange halen te snikken, steeds klagender. Het gesnik van een verslagene. 
“Wat heb ik gedaan?!” Ze schreeuwt het uit, slaat zichzelf woedend tegen de slapen en herhaalt haar vraag tot ze prevelend voor zich uit staart. 
“Ik ben geen mens meer. Ik ben een monster. Die mensen, die onschuldige kinderen, ik kende ze niet. En toch... Wat heb ik gedaan?”
Ze neemt de afstandsbediening voorzichtig vast en zet de tv aan, in de hoop dat de flitsende kleuren en de aangename stemmen haar wat tot rust kunnen brengen. Het is een nieuwsonderbreking: “Een paar uur geleden liep een verwarde vrouw het winkelcentrum binnen. Volgens getuigen riep ze naar voorbijgangers dat het nu wel genoeg is geweest. Ze droeg een jachtgeweer waarmee ze in totaal acht mensen neerschoot, allen overleden ter plekke. Het betreft drie echtparen, waaronder een bejaard koppel en twee kinderen. De vrouw wordt dringend gezocht door de politie. Ze heeft blond krulhaar, draagt een donkerrode bril, grijze t-shirt met zwarte broek en meet één meter tweeënzeventig. De vrouw is gewapend.”
Ze schrikt als ze een robotfoto op het scherm ziet verschijnen met haar duidelijke gelaatstrekken. 
“Wat heb ik toch gedaan!” Jammert ze. Wankelend staat ze op, neemt pen en papier en begint te schrijven. Schokkend prevelt ze woord voor woord haar afscheidsbrief. 

Wat ik gedaan heb is gruwelijk en ontoelaatbaar. Ik was niet bij zinnen, maar neem wel de volledige verantwoordelijkheid op me. Om de pijn van de nabestaanden te verzachten schenk ik hen al mijn geld en waardevolle bezittingen. Tot slot wil ik mijn oprechte spijt betuigen. Ik weet niet hoe of waarom ik het gedaan heb, maar ik heb het gedaan. Het spijt me.

Met een zucht legt ze het briefje op een zichtbare plaats en belt de politie op. Snikkend vertelt ze van haar schuld en waar haar te vinden. Na het telefoontje laadt ze haar grootvader’s jachtgeweer voor een laatste keer en schiet zichzelf door de mond.

“De vrouw die vanmiddag gezocht werd voor de moorden in het winkelcentrum, werd dood teruggevonden in haar villa. Ze pleegde zelfmoord. Uit verder onderzoek blijkt dat de vrouw aan een zware vorm van schizofrenie leed, maar geen therapie of medicatie kreeg. Zelf had ze geen familie of vrienden meer. In haar afscheidsbrief betuigt ze haar spijt en laat ze haar bezittingen na voor de nabestaanden van de vermoorde koppels en kinderen. In totaal schenkt ze zeven miljoen euro aan de families.”

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Heb je een reactie of feedback, doe het dan op een beschaafde manier.