zondag 11 oktober 2015

De Vlaamse Jim Morrison

Terwijl de sixties spreken van revolutie en vrijheid, werden de jaren 1970 harder, met problemen als een economische crisis, verschillende oliecrisissen, verhoogde criminaliteit en de Koude Oorlog. In die tijdsgeest leefde, en stierf, dichter en schrijver Jotie ’T Hooft.  

Johan Geeraard Adriaan  ’T Hooft werd geboren in Bevere (Oudenaarde) op 9 mei 1956. Zijn vader, Marcel ’T Hooft was leerkracht aan het gemeenteschooltje en bibliothecaris van de plaatselijke bib. Moeder Rosa Bostijn werkte als ontwerpster van ondergoed. Jotie groeide op tussen liefhebbende familieleden, waaronder grootouders Gerard ’T Hooft (Peter Schoenmaker) en diens vrouw Elise Coeck.  De dood van zijn grootmoeder, hij was toen tien jaar, liet een diepe indruk achter. Tevens had Jotie goed contact met zijn oom Rik ‘T Hooft, schrijnwerker, waar hij vaak in het atelier ging helpen. De grootouders langs moeders kant speelden ook een grote rol, vooral aan de grootvader, Gaston Bostijn alias Peter Elektriek, hield Jotie mooie herinneringen over. 

Mens en schrijver

Jotie  kende een zorgeloze kindertijd met goede resultaten op school. Hij haalde 94% in het eerste leerjaar en 84% in het vijfde en zesde. Jotie kende een voorliefde voor literatuur en taal en richtte de ABN-club op, waar zijn oom Rik houten bordjes voor maakte. In 1970 wint Jotie de ABN-wedstrijd met een voordracht van ‘De voetbalkenner’ uit Kopstukken van Godfried Bomans.

 In het middelbaar volgde hij Latijnse, maar  had problemen zich aan te passen. Hij haalde slechte resultaten, ook na herexamens. Zijn moeder werd ongerust en bij de dokter werd hem het antidepressivum Tryptizol voorgeschreven. Jotie vond het fascinerend hoe één klein pilletje zo veel kon veranderen, wat het begin inluidde van zijn verslaving. Hij werd in 1971 van school gestuurd vanwege een drugshandeltje. Hij verkocht fijngestampte aspirine, librium en valium als pepmiddel aan zijn medestudenten.

Het lukte Jotie maar niet zijn middelbaar deftig af te ronden en op zijn zeventiende trok hij naar Gent om zogenaamd te studeren aan de kunstacademie. Hij legde nooit het toelatingsexamen af, maar kon via uitzendbureau’s aan verschillende baantjes geraken. Met zijn vriend en huisgenoot ‘Chapeau’ werd er hevig geëxperimenteerd met verschillende soorten drugs. Chapeau, die net niet meerderjarig was, werd uiteindelijk door zijn ouders uit Gent weggehaald en Jotie bleef alleen achter. Hij ondernam zijn eerste zelfmoordpoging door de polsen over te snijden. Zijn moeder vond hem en bracht hem terug naar huis, waar hij onder professionele begeleiding (voorlopig) afkickte. 

Een dag voor zijn 18de verjaardag, op 8 mei 1974, werd hij opgepakt wegens drugsbezit tijdens een razzia in Oudenaarde. Hij kwam in de opvoedingsinstellingen van Beernem en Ruislede terecht. Het was een ervaring die hem hevig tekende. Na deze periode kon hij aan de slag als nachtwaker en werkte hij een tijdje in de Zjat, een macrobiotisch restaurant. Hij leerde er Ingrid Weverbergh kennen. Zij is de dochter van Julien Weverbergh, toenmalig directeur van uitgeverij Manteau. Hij wilde Jotie’s debuutbundel Schreeuwlandschap uitgeven, maar wist niet van Jotie’s relatie met zijn dochter. Wanneer hij vernam dat ze wilden trouwen zei hij tegen Jotie’s ouders: ‘ ’t is niet omdat ik zijn bundel ga uitgeven dat hij mijn schoonzoon moet worden.’ Jotie en Ingrid trouwden in augustus ‘75, in november dat jaar kwam Jotie’s debuut op de markt. 

Jotie en Ingrid gingen op huwelijksreis naar Tenerife, toch zat Jotie met zorgen. Hij werkte bij Manteau als lector, maar kende toch financiële problemen. Daar bovenop had hij een cheque voor de uitgeverij zelf achterover gedrukt. Bij zijn terugkeer ondernam hij zijn tweede zelfmoordpoging in het souterrain van de uitgeverij. Hij gebruikte wiskey van het merk Cutty Sark en een shot opgeloste valiumtabletten. 

Buiten Schreeuwlandschap bracht Jotie nog Junkieverdriet (1976) uit, waarvoor hij in november 1976 de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving. Jotie werd een succesvol dichter en werkte mee aan verschillende tijdschriften, zoals Bok, het tijdschrift van het Oudenaardse jeugdhuis Bokaal. Zijn artikels en teksten gingen voornamelijk over de toenmalige muziek, subcultuur en literatuur. Toch kreeg hij in Bok meer ruimte om ook andere zaken te onderzoeken, zoals het mystieke, en om lokale wantoestanden onder de loep te leggen. 

Jotie was gelukkig met Ingrid en het opkomende succes, wat zorgde dat hij een jaar clean bleef. Toch herviel hij door de steeds toenemende druk gepaard met faalangst.  Het drugsgebruik veranderde de anders zachtaardige jongen drastisch waardoor Ingrid hem verliet. Dit kwam bij Jotie aan als een zware klap en hij zonk in een diepe put, resulterend in zijn derde en ook fatale zelfmoordpoging. Op de nacht van 5 op 6 oktober 1977, 38 jaar geleden, zette hij een fatale shot cocaïne en overleed in het Sint-Lucasziekenhuis in Brugge. Hij liet de tekst ‘Dag kleine meid, veel geluk!’ achter op de muur van het kamertje waar hij zijn laatste uren door had gebracht en volgens Julien Weverbergh had hij twaalf gedichten in een waaier uitgestald op de schoorsteenmantel van zijn huis. Hij werd begraven op het kerkhof in Oudenaarde op woensdagnamiddag 12 december 1977, een simpel maar zwaar houten kruis is zijn zerk. Het zou het laatste stuk hout zijn waar hij mee gewerkt heeft in het atelier van zijn oom. 

Postuum werden nog de dichtbundels De Laatste Gedichten (1977) en Poezebeest (1978) en het prozaboekje Heer van de poorten (1978) uitgebracht. Vanaf begin jaren ’80 verschenen al de eerste overzichtwerken. Het meest recente verzamelwerk bevat al zijn poëzie en proza en telt 976 pagina’s, wat toch heel wat is voor zo’n jonge dichter. 

Cultstatus

Jotie was zeer intelligent, hoogbegaafd zelfs, en  voelde zich niet op zijn plaats in wat het systeem als gangbaar aanduidde. Hij vond zich vervreemd van zijn wereld en ging steeds op zoek naar innerlijke rust, hij wilde meer. Jotie kreeg doorheen de jaren steeds meer een cultstatus, een jonge dichter met een constante zoektocht die te vroeg stierf. Zijn neoromantische poëzie met terugkerende thema’s als zijn kindertijd, vrijheid, verlangen, zijn drugsgebruik, erotiek en de dood mystificeert de dichter nog meer. Zijn woorden , en zijn bizarre levensloop, doorstaan de tand des tijds en blijven velen aanspreken. Hij is de Vlaamse Jim Morrison: Intelligent, eigenzinnig, onbegrepen en vol onvervulde verlangens en dromen. 

En wat dan? 

Op een dag zal ik weg zijn en 
wat dan? Verdwenen zonder een 
teken te geven of te nemen en 
het puin dat ik achterlaat is 
niet langer lachwekkend. 
Want wie als ik nooit heeft 
gebouwen laat niets achter dan 
verwachting en verwarring en 
wat dan? 
Wellicht in uw herinnering zal ik 
stollen verstijven, niet lang meer 
blijven maar verbleken tot verleden 
en wat toen? Te doen? 
'Het was waar' zult gij zeggen 'hij speelde 
met woorden als geen ander maar wat 
heeft dat te betekenen.' Zo bleek 
zal ik zijn. 
In u... 
en wat dan...? 

Jotie T'Hooft 
uit: Schreeuwlandschap 
Manteau, 1975 

(Verschenen in 'De Ark van Jean-Marc' (500ste editie) op 11 oktober 2015)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Heb je een reactie of feedback, doe het dan op een beschaafde manier.